Dit gedicht start niet met verdriet
of schoonheid van seizoenen. Het is
gewoon maar een gedicht. Ik wilde
het al schrijven in het jaar dat ik
zo'n beetje schrijven kon.
Het is niet lief, of goedbedoeld
en zeker niet indachtig die of dat, de
gang der dingen. Een leeg- en zonder
voelenspel van lettertjes in orde.
Een onbesnorde bovenlip:
mannelijk, dat wel. Ik krijs het
uit, schreeuw moord en brand,
versnijd mensen de keel, maar na
gedane zaken werk ik voort aan dit
geheel. Weet ik tenslotte veel. |